Thuiszorginstellingen

Hoe komt het dat grote thuiszorginstellingen kunnen omvallen?

Deze keer, vanwege alle zorgen om de huishoudelijke zorg, een uitgebreide historische beschouwing over hoe het komt dat de grote thuiszorginstellingen dreigen om te vallen.

Thuiszorgreus TSN heeft surseance van betaling aangevraagd voor het onderdeel huishoudelijke zorg. Sensire, ook een grote, heeft al eerder 800 mensen willen ontslaan, dat heeft de staatssecretaris destijds voorkomen. Maar hoe komt het nu dat met name de grote instellingen aangeven het niet meer vol te kunnen houden?

Hierover zijn al diverse publicaties verschenen, maar wat ik in de meeste publicaties mis is een goede historische beschouwing. Aangezien ik al vanaf het ingaan van de Wet voorzieningen gehandicapten in 1994 betrokken ben bij decentralisaties in het sociaal domein, heb ik het allemaal kunnen volgen. Behalve dat ik vind dat veel grote en oude aanbieders zich met hun bedrijfsvoering onvoldoende hebben aangepast aan de snel veranderende markt, is het (te) snel veranderende beleid van de Rijksoverheid ook debet aan dit verhaal.

De Wmo 2007
Per 1 januari 2007 trad de Wmo 2007 in werking. De voorloper van de Wmo was de Wet voorzieningen gehandicapten, waarmee de gemeenten verantwoordelijk waren voor het verstrekken van rolstoelen, woningaanpassingen en vervoersvoorzieningen. In januari 2007 kwam de huishoudelijke verzorging erbij vanuit de voormalige AWBZ. De naam Huishoudelijke Verzorging (HV) werd daarmee omgedoopt tot hulp bij het huishouden (HH).

Hoewel het extra geld voor de hulp bij het huishouden “schoon aan de haak” mee kwam, dus zonder bezuinigingen, zijn gemeenten op een andere manier met het geld omgegaan dan de Zorgkantoren dat tot en met 2006 deden. Eerst bleek vrij laat in 2006 dat de gemeenten de hulp bij het huishouden Europees moesten aanbesteden. Daar was eerst nog onzekerheid over of dat wel of niet moest. De Zorgkantoren hoefden dat niet. De Europese aanbesteding leidde ertoe dat zorgaanbieders hebben ingeschreven tegen lage tarieven, soms onder de kostprijs. Zij gingen daarbij uit van hun  historische cijfers, waarbij 80% HV2 en 20% HV1 werd geleverd.

Verder gingen de gemeenten per vorm van dienstverlening indiceren, iets wat de voormalige Regionale Indicatie Organen (RIO’s) op een andere manier deden.

Volumemiddelen tot en met 2006
De Zorgkantoren maakten namelijk met al hun aanbieders afspraken over volumemiddelen: De aanbieders kregen een zak met geld en daar hadden ze het voor het komende jaar mee te doen. De zorgaanbieders konden binnen de volumemiddelen voor de HV bepalen of zij iemand eenvoudige hulp bij het huishouden boden (HV1) of meer complexe zorg (HV2) of zelfs persoonlijke verzorging (PV). In de praktijk gebeurde het dan ook dat er HV2 personeel werd ingezet voor HV1, waarvoor dan ook het tarief werd gehanteerd voor HV2. Hetzelfde gebeurde als PV personeel werd ingezet voor HV-taken. Dat gebeurde allemaal tegen het tarief van de medewerker, niet het tarief van de dienst.

De gemeenten echter gingen indiceren per vorm van dienstverlening. Dit betekende dat als zij een cliënt indiceerden voor HH1, er ook HH1 geleverd moest worden tegen het tarief van HH1. Hetzelfde gold voor HH2 en PV behoorde niet tot de gemeentelijke taken, want bleef in de AWBZ.

Aardverschuiving in de huishoudelijke zorg
Wat er toen gebeurde hadden de zorgaanbieders bij de inschrijving voor de aanbesteding niet verwacht: Er werd nu 80% HH1 geïndiceerd en daarbij werd ook het HH1 tarief betaald. 20% werd besteed aan HH2 voor het HH2 tarief. En met de “operatie herindicaties” in 2008 kregen de meeste bestaande klanten een indicatie HH1 in plaats van de eerdere HV2. Dit betekende dus een enorme verschuiving in de markt van huishoudelijke zorg, een klap van 80-20 naar een verhouding van 20-80!

Wet Leyten 2010: Basistarieven
Vervolgens trokken de zorgaanbieders aan de bel bij de toenmalige staatssecretaris Bussemaker. Na een lobbybeweging zijn in 2010 op grond van de “Wet Leyten”, genoemd naar SP Kamerlid Renske Leyten, basistarieven gesteld voor de hulp bij het huishouden. De gemeenten hebben zich aan die basistarieven geconformeerd.

Het groeien van een thuiszorgreus
Hiermee was echter nog niet alles opgelost. Een aantal aanbieders, zoals Evean en Icare, is samen met schoonmaakbedrijf Asito gefuseerd tot TSN Thuiszorg. Veel aanbieders wilden eigenlijk toen al niet meer de HH1 uitvoeren vanwege de lagere tarieven.

Daarnaast is een aantal aanbieders van hulp bij het huishouden failliet gegaan en op grond van de kennis van toen heeft TSN de failliete boedel van veel andere aanbieders opgekocht. Daardoor is het bedrijf zo groot geworden. Het nadeel echter van een groot landelijk bedrijf is dat er een gelaagde organisatie ontstaat die moeilijker wendbaar en minder flexibel is dan een kleine zorgaanbieder. Ook is er minder feeling met de werkvloer doordat de communicatie, die ook door de lagen heen moet, lastiger wordt, zo heb ik zelf in het werken met TSN ervaren.

Wmo 2015
Per 1 januari 2015 is de Wmo 2015 in werking gegaan. Deze wet legt nog meer nadruk op eigen kracht en zelfredzaamheid dan de Wmo 2007 al deed. De Rijksoverheid zet hier extra druk op door sterke bezuinigingen. In eerste instantie was staatssecretaris Van Rijn van plan om 75% te bezuinigen op het onderdeel hulp bij het huishouden. Daarmee was alle HH1 mijns inziens gewoon weg geweest en had echt iedereen het zelf moeten regelen. Op het moment dat men dat van plan was heb ik er bij medewerkers van het ministerie voor gepleit om er dan een minimaregeling van te maken in het kader van de bijzondere bijstand. Zover is het niet gekomen: Er is nu 40% bezuinigd en daarvan is weer 10% verzacht als gevolg van de regeling Huishoudelijke Hulp Toelage (HHT), die de meeste gemeenten op welke manier dan ook uitvoeren. De gemeenten hebben dus netto te maken met een bezuiniging van 30% in 2015 en 2016. Toch een niet geringe opgave waarmee gemeenten door de Rijksoverheid zijn opgescheept.

Wat gingen de gemeenten dus doen? In ieder geval het bestaande tarief aanhouden waarmee de hulp bij het huishouden voor zowel HH1 als HH2 was aanbesteed. Gemiddeld € 21 per uur voor HH1 en € 24 per uur voor HH2. En verder hebben inmiddels overal herindicaties plaatsgevonden waarmee de meeste huishoudens twee uur per week HH1 krijgen. Aan de HH2 wordt niet getornd aangezien dat om zorg voor meer kwetsbare mensen gaat. De mensen met HH1 worden nog geacht goed zelf de regie te kunnen voeren en zelf ook nog wat in het huishouden te kunnen doen. Zo niet, dan hebben ze over het algemeen bij de herindicaties een indicatie naar HH2 gekregen.

De Code
Inmiddels heeft TSN door bureau Berenschot een onderzoek laten uitvoeren naar de tarieven in de markt. Berenschot kwam uit op een tarief van € 23,50 voor HH1 en € 28,50 voor HH2 en ook HH3 (ondersteuning voor ontregelde huishoudens). In overleg met de VNG heeft de Transitiecommissie sociaal domein onder leiding van Doekle Terpstra de Code Verantwoordelijk Marktgedrag Thuisondersteuning in het leven geroepen. Daar staan allemaal heel gewone dingen in, zoals dat personeel zekerheid geboden, de cliënten zekerheid moeten hebben, er gewerkt moet worden volgens de CAO Verpleging en Verzorging en dat soort dingen.

De angel in het verhaal zijn echter de tarieven. Hoewel deze door de VNG worden gepresenteerd als “slechts richtlijnen”, zijn deze tarieven een eigen leven gaan leiden. Zowel zorgaanbieders als cliëntenorganisaties houden de tarieven aan alsof die de enige manier zijn voor gemeenten om verantwoordelijk marktgedrag te tonen. In publicaties lees ik dan ook dat veel gemeenten zich niet zouden houden aan de Code, omdat ze niet die tarieven aanhouden. Niet alle gemeenten hebben overigens de Code onderschreven en veel gemeenten die dit wel hebben gedaan, hebben daarbij de kanttekening gemaakt dat ze zich niet conformeren aan de genoemde tarieven omdat zij die niet kunnen betalen als gevolg van de Rijksbezuinigingen. En daarmee is dan het cirkeltje weer rond!

Gaan mensen hun vaste hulp verliezen?
Gaan mensen nu hun vaste hulp verliezen? Ik geloof zeker niet dat dit in alle gevallen gebeurt. Ik heb zelf in een aanbestedingstraject gemerkt dat met name kleinere aanbieders best bereid zijn om tegen uurtarieven van € 20 tot € 21 te werken omdat ze een lage overhead hebben. Dus weinig mensen op kantoor en veel werkers in het veld, zoals het hoort. Die aanbieders zijn zeer bereid mee te denken over het op een innovatieve manier, wijkgericht, werken, in goede samenwerking met de welzijnsinstellingen en WonenPlus organisaties.
Deze aanbieders hebben aangegeven dat ze bereid zijn zowel personeel als cliënten van de oude aanbieders over te nemen, waarbij ze ernaar streven om hulp en cliënt bij elkaar te houden. In mijn gemeente Zaanstad lees ik dat de wethouder garandeert dat alle cliënten zullen worden overgenomen door andere aanbieders als dat nodig mocht zijn. Ik denk niet dat die andere aanbieders daar bezwaar tegen zullen hebben, aangezien ook zij te maken hebben met minder klanten en minder uren.

Overigens bestrijd ik de illusie van de vaste hulp. Natuurlijk zijn er hulpen die al jaren bij bepaalde cliënten werken. Maar ik heb, ook als mantelzorger van een Wmo cliënt, veel wisselingen in hulpen gezien door aflopende contracten en wisselende inzet.

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.